Homoseksualiteit, bijbel, en karma

Door de geschiedenis heen hebben het christendom en homoseksualiteit met elkaar op gespannen voet gestaan. Het bedrijven van de homoseksuele liefde zou zondig zijn. De fysieke liefde behoorde in het teken van de voortplanting te staan. De bijbel zou daar heel duidelijk over zijn. Maar is dat allemaal wel zo eenduidig? Bij nadere beschouwing blijken de teksten over homoseksualiteit van de apostel Paulus bijvoorbeeld in een heel ander licht geplaatst te kunnen worden.

Slechts enkele teksten

Wanneer er vanuit christelijke hoek oordelend wordt gesproken of geschreven over homoseksualiteit dan is dat meestal gebaseerd op slechts enkele Bijbelteksten. Twee teksten in Leviticus, en enkele uitspraken van de apostel Paulus in Romeinen. De teksten in Leviticus lijken niet mis te verstaan:

“U mag niet slapen met een mannelijk persoon, zoals u met een vrouw slaapt. Dat is een gruwel.” (Leviticus 18:22)

“Wanneer een man met een andere man slaapt, zoals men met een vrouw slaapt, dan hebben zij beiden iets gruwelijks gedaan. Zij moeten zeker ter dood gebracht worden. Hun bloed rust op henzelf.” (Leviticus 20:13)

Echter, zijn veel Bijbel verklaarders het er wel over eens dat de teksten in Leviticus met name gericht waren tegen vruchtbaarheidsrituelen in afgodentempels in Egypte en Kanaän, waarbij bijvoorbeeld overwonnen vijanden werden verkracht.

De orthodox christelijke Philip Nunn auteur die bepaald geen groot voorstander is van homoseksualiteit schrijft hierover: ‘De homoseksuele handelingen die voorkwamen in Egypte en Kanaän waren het verkrachten van onderworpen vijanden en vruchtbaarheidsriten in afgodentempels. Gelijkwaardige homoseksuele relaties kwamen niet voor in Egypte en Kanaän, het ligt dus zeker niet voor de hand om dit verbod op homoseksuele handelingen zonder goede redenen algemeen te verklaren. Toch wordt dit geregeld wel geprobeerd, dan wordt het verbod volledig uit de culturele en de Bijbelse context gehaald en ook van toepassing verklaard op gelijkwaardige homoseksuele relaties in onze tijd.’

Ook enkele andere Oud Testamentische teksten blijken niet bruikbaar voor het vormen van een oordeel over homoseksualiteit in onze tijd. Zo wordt bijvoorbeeld in het verhaal van Lot in Sodom en Gomorra wel gesproken over homoseksuele mannen die Lot vragen om uitlevering van zijn mannelijke gasten, omdat ze die willen verkrachten, maar dat verhaal gaat met name over gastvrijheid en het gebruik van collectieve verkrachting van vreemdelingen.

Paulus_St_Gallen_600

De tirade van Paulus

Omdat de Oud Testamentische teksten over homoseksualiteit op deze gronden niet erg bruikbaar zijn voor een religieus oordeel over homoseksualiteit, blijven alleen de teksten van Paulus over. Hij schrijft in Romeinen 1:21-27:

“Bewerende wijs te zijn, zijn zij dwaas geworden, en zij hebben de majesteit van God vervangen door hetgeen gelijkt op het beeld van de vergankelijke mens, van vogels, van viervoetige en van kruipende dieren. Daarom heeft God hen in hun hartstochten overgegeven aan onreinheid, zodat bij hen het lichaam onteerd wordt. Zij immers hadden de waarheid Gods vervangen door de leugen en het schepsel vereerd en gediend boven de Schepper, die te prijzen is tot in eeuwigheid. Amen. Daarom heeft God hen overgegeven aan schandelijke lusten, want hun vrouwen hebben de natuurlijke omgang vervangen door tegennatuurlijke. Eveneens hebben de mannen de natuurlijke omgang met de vrouw opgegeven, en zijn in wellust voor elkander ontbrand, als mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende en daardoor het welverdiende loon voor hun afdwaling in zichzelf ontvangende.”

Paulus was dus kennelijk geen groot voorstander van homoseksualiteit om het maar eens mild uit te drukken. Echter, hij beschouwde het kennelijk niet als een keuze maar als een soort van noodlot dat ons mensen kan treffen omdat God Zijn handen van ons heeft afgetrokken, omdat… Eerlijk gezegd bekruipt mij het gevoel dat Paulus hier verwijst naar de erfzonde. De mens wilde kennen goed en kwaad en at van de (quasi) verboden vrucht. De mens werd uit het paradijs gezet, en deze stap vanuit de geestelijke ‘hemelse’ dimensie naar de fysieke aardse dimensie had een hoop ellende tot gevolg. Hij moest bijvoorbeeld gaan zorgen voor de instandhouding van een lichaam, met alle complicaties van dien. De dood deed zijn intrede, en de vrouw kreeg te maken met barensweeën. Allemaal zaken die klaarblijkelijk voor de zondeval niet speelden. Eenvoudigweg omdat er geen sprake was tot de noodzaak van fysieke voortplanting. Vandaar dat Adam en Eva na de consumptie van de vrucht ook plotseling met een vijgenblad voor hun voortplantingsorganen gingen lopen.

Als Paulus de eerste zin van Romeinen 1: 21-27 schrijft: ‘Bewerende wijs te zijn, zijn zij dwaas geworden, en zij hebben de majesteit van de onvergankelijke God vervangen door hetgeen gelijkt op het beeld van een vergankelijke mens, van vogels, van viervoetige en van kruipende dieren’, dan doelt hij dus niet op homoseksuelen in het bijzonder maar op de mensheid, op alle zielen die voor dit concept van een verblijf op aarde hebben gekozen.

Wist Paulus van karma en reïncarnatie?

Er is bij de erfzonde kennelijk iets in werking getreden dat homoseksualiteit onder individuen tot gevolg kan hebben. Een soort bijwerking. Wat zou dat dan kunnen zijn? Om die vraag te beantwoorden is het goed om er eens een tekst bij te halen die ook gaat over de vraag waarom iemand in dit leven met iets is behept waar hij zelf in dit leven niet om gevraagd kan hebben; het verhaal over de blindgeborene in Johannes 9. Jezus en zijn discipelen zien een man die sinds zijn geboorte blind was. De discipelen vragen daarop aan Jezus: ‘Rabbi wie heeft gezondigd, deze of zijn ouders, dat hij blindgeboren is?’ Jezus antwoordt: ‘Noch deze heeft gezondigd noch zijn ouders, maar de werken Gods moesten in hem openbaar worden’, en hij geneest de man. Deze tekst wordt dikwijls aangehaald als een aanwijzing voor het bestaan van karma en reïncarnatie. De discipelen gaan er van uit dat het blind zijn een gevolg is van zonde. Maar wanneer moet iemand die blindgeboren is dan gezondigd hebben? In een vorig leven wellicht? Evenzo kunnen we kijken naar het tekstfragment ‘heeft hen overgegeven aan’. In feite zegt Paulus met die woorden dat homoseksualiteit wat hem betreft een aanleg is waarvoor niet is gekozen door de persoon in kwestie. Tenminste, niet in het betreffende leven… Zou het mogelijk zijn dat Paulus hier verwijst naar karma en reïncarnatie? Paulus was een ingewijde en lijkt heel goed te weten van de hoed en de rand. Dat bevestigt hij ook met de tekst in 1 Korintiërs onder meer over het opstandingslichaam: ‘Zoals we nu de gestalte van de stoffelijke mens hebben, zo zullen we straks de gestalte van de hemelse mens hebben’. Paulus beseft dat we pas echt van alle aarde problemen verlost zullen zijn wanneer we onstoffelijk zijn geworden, mogelijk aan het eind van een lange reeks incarnaties.

Stel dat Paulus inderdaad doelt op homoseksualiteit als karma, wat zou dat dan kunnen inhouden? Volgens de Italiaanse theoloog en filosoof Pietro Archiati is karma niet slechts een wetmatigheid maar ook een vrije beslissing van het goddelijke in het individu die in een fase voor een nieuwe incarnatie wordt genomen. Met betrekking tot de blindgeborene schrijft Archiati in zijn boek ‘… en schreef in de aarde: ‘Het goddelijke wezen in hem, de eeuwige individualiteit van deze mens, zijn ‘ik’ zelf heeft in een vorig leven iets gedaan dat in evenwicht moet worden gebracht; vandaar de beslissing om in dit leven als blindgeborene op de wereld te komen.’ Vanuit het perspectief dat Archiati hier biedt zou je ‘heeft hen overgegeven aan’ kunnen vertalen met ‘heeft het goddelijke in ons er voor gekozen om…’. In die zin dient karma dan ook niet als straf te worden gezien. Daarover schrijft Archiati: ‘Let wel het gaat om een vrije beslissing van het goddelijke ‘ik’ in hem, en niet om een straf. Want karma heeft niets te maken met straf. Als we karma op ons nemen gaat dat met een dankbaarheid gepaard dat we in staat worden gesteld om een eenzijdigheid door een positieve ontwikkeling in evenwicht te brengen. Dat is iets totaal anders dan het ondergaan van straf – het is zelfs het tegenovergestelde. Het hoger ‘ik’, het goddelijke wezen in deze mens, heeft in vrijheid en dankbaarheid de genade aanvaard die hem de mogelijkheid biedt om blind op de wereld te komen. Het stelt hem in staat om wat binnen zijn wezen voor de toekomstige volheid ervan moet worden vereffend, recht te trekken. Karma heeft niets met ‘inlossing’ of ‘boetedoening’ te maken; het is een voortdurend zich eigen maken van nieuwe krachten, wat in het bijzonder door verdriet en pijn – bijvoorbeeld het doorleven van blindheid – mogelijk wordt gemaakt.’

Mogelijkheid tot groei

Wanneer we op deze wijze naar homoseksualiteit kijken ontstaat een heel ander beeld dan wanneer we blindelings Bijbelteksten citeren.

Homoseksualiteit vanuit karmisch perspectief bezien betekent:

  • Dat we er zelf (ons goddelijke ik) in de fase voor de incarnatie voor gekozen hebben om homoseksueel te zijn.
  • Dat homoseksualiteit geen straf is, maar een mogelijkheid om een eenzijdigheid door een verdere ontwikkeling in evenwicht te brengen.

Welke deze eenzijdigheden zijn en waarom we er voor gekozen hebben om een bepaald karma met ons te dragen is een aanzienlijk moeilijker vraag. Zowel ten aanzien van homoseksualiteit als ten aanzien van andere karmische uitwerkingen. Waarom wordt iemand geboren in een lichaam dat vroeg sterft? Waarom worden vrouwen geboren met erfelijk materiaal dat een verhoogde kans op borstkanker geeft? Waarom wordt iemand geboren in gezinsomstandigheden van waaruit hij zijn hele leven belast zal zijn met psychische problemen? Hoe moedig moeten de zielen wel niet zijn die besluiten dat ze geboren gaan worden in gebieden waar voortdurend honger wordt geleden of waar voortdurend oorlogen worden gevoerd? Zo zijn er veel vragen te bedenken waarop antwoorden in zijn algemeenheid moeilijk te geven zijn. Het vinden van karmische patronen in iemands leven is een persoonlijke aangelegenheid, en dat wat men er mee doet ook.

De acceptatie van karma als een mogelijkheid tot groei geeft kansen. Regelmatig kom ik mensen tegen wier levens jarenlang niet liepen door psychische klachten , fysieke problemen, materiele tekorten etc cetera. Een aantal van hen was verbitterd geworden. De anderen hadden een houding van ‘het was niet aangenaam, maar wat heb ik er veel van geleerd’. Het verschil tussen beide groepen is denk ik dat de tweede groep open naar zichzelf durfde te kijken, op zoek was naar leerervaringen, en daarbij de ogen niet sloot voor de eigen onvolkomenheden, en ook niet voor de eigen goddelijke vermogens. Voor wie homoseksueel is zou dat moeilijker kunnen zijn dan voor heteroseksuelen. Immers, eeuwenlang zijn homoseksuelen een minderheidsgroep geweest en gediscrimineerd en vervolgd. Met ook als gevolg dat homoseksuele jongeren zelfs in onze tijd nog moeilijk uit de kast durven te komen, en dat de suïcide neiging onder homoseksuele mannen veel hoger is dan bij heteroseksuele mannen. Helaas hebben religies daar in sterke mate aan bijgedragen. Op grond van de letterlijke interpretatie van enkele Bijbelteksten. Zij die op grond van het naleven van die teksten dachten dat ze zonder zonde waren gooiden de eerste steen. En zij vergaten een andere belangrijke tekst van Paulus in Romeinen 2:1: ‘Daarom zijt gij, o mens, wie gij ook zijt, niet te verontschuldigen wanneer gij een ander oordeelt. Want wanneer gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelf; want gij die oordeelt bedrijft dezelfde dingen’.

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>